
Onveiligheid is legaal, zelfverdediging niet
De politie maakt zich zorgen over pepperspray en alarmpistolen die in Duitsland legaal over de toonbank gaan. Criminelen hebben ze al, burgers voelen zich onveilig, en de oplossing is vertrouwd: de brave koper strafbaar stellen. Wie daarop wijst, krijgt het sprookje terug: wil je dan dat iedereen een wapen draagt? Nee. Maar met open grenzen en legale verkoop over de Rijn is de wapenloze straat geen beleid. Het is zelfbedrog met boetes.
De NOS meldt dat de politie zich zorgen maakt. Niet over de onveiligheid die mensen de grens over drijft, maar over de middelen waarmee zij zich daartegen willen wapenen. Pepperspray, gas- en alarmpistolen: in Nederland strafbaar als zij te veel op een echt wapen lijken, in Duitsland vanaf achttien zonder vergunning te koop. Een winkelier in Gronau schat dat tachtig tot negentig procent van zijn klanten uit Nederland komt. Mensen voelen zich onveilig, zegt hij, en nemen het heft in eigen handen.
Dat is precies het moment waarop de staatslogica aanslaat. Niet: waarom voelen mensen zich zo onveilig dat zij voor pepperspray naar Gronau rijden? Wel: beseffen zij wel dat zij een strafbaar feit plegen als zij het terug meenemen?
Wie speelt hier de baas?
Het verbod is geen natuurwet. Het is een besluit over wie er mag bepalen wat jij bij je lichaam mag dragen. Aan de ene kant van een streep op de kaart is pepperspray zelfverdediging. Aan de andere kant is het een inbeslagname en een aantekening. Dezelfde mens, dezelfde angst, dezelfde bus, andere baas.
Dat is geen veiligheidsbeleid. Dat is willekeur met een grenspaal. De morele vraag of iemand zich mag verdedigen hangt niet af van het geweld dat hem bedreigt, maar van het postcodegebied waarin hij toevallig woont. Murray Rothbard zou hier geen moment twijfelen: het recht op zelfverdediging volgt uit eigendom over je eigen lijf, niet uit een ministeriële goedkeuringsstempel.
Wie jouw verdediging illegaal verklaart terwijl hij jouw veiligheid niet garandeert, claimt niet bescherming. Hij claimt monopolie.
Criminelen hebben ze al
Het artikel zegt het zelf. De politie maakt zich zorgen over het gebruik van gas- en alarmpistolen „binnen het criminele circuit bij ernstige geweldsmisdrijven". Bij de moord op Peter R. de Vries werd een omgebouwd exemplaar gebruikt. De conclusie die daaruit volgt is blijkbaar niet: wie vreedzaam leeft, mag zich tegen geweld kunnen weren. De conclusie is: ook de niet-crimineel moet het maar zonder laten.
Dat is een bijzondere morele volgorde. De aanvaller negeert het verbod al. De burger die pepperspray koopt omdat hij 's avonds niet meer rustig over straat durft, wordt de figuur waarover men zich zorgen maakt. Alsof het probleem niet is dat mensen zich moeten verdedigen, maar dat zij het zonder toestemming doen.
Lysander Spooner had hiervoor een eenvoudige maatstaf: een wet die geen slachtoffer beschermt, maar een vreedzaam persoon tot verdachte maakt, is geen recht. Het is bevel. De staat mag dan wel beweren dat hij geweld voorkomt. In de praktijk straft hij de burger die weigert weerloos te blijven.
Wil je dan dat iedereen een wapen draagt?
Hier komt het staatsnarratief in actie. Wie wijst op de absurditeit van het verbod, krijgt meteen de tegenwerping: wil je dan dat iedereen een wapen draagt op straat?
Nee. Duidelijk niet. Dat is ook niet de keuze die voorligt. De echte keuze is of je doet alsof een verbod de middelen uit de samenleving wegtovert, terwijl die middelen over de grens legaal liggen, per pakket binnenkomen en volgens de politie zelf al in criminele handen zitten. Open grenzen, legale verkoop in Duitsland, en dan geloven in het sprookje van de wapenloze straat: dat is geen voorzichtigheid. Dat is een fantasie met een wetboek als rekwisiet.
Ayn Rand zou hier ongeveer zeggen: you can ignore reality all you want, but you cannot ignore the consequences of ignoring reality. Je mag doen alsof criminelen zich aan het Nederlandse wapenrecht houden terwijl een winkeltje in Gronau wekelijks pepperspray bijbestelt voor Nederlandse klanten. Wat je niet mag verwachten, is dat de gevolgen van die ontkenning ook verdwijnen. Wie de brave burger ontwapent en de boef niet, krijgt geen veilige straat. Hij krijgt een straat waarop alleen de gehoorzame weerloos is.
Een mes is ook een wapen
De argumentatie steunt op gelijkenis. Alarmpistolen lijken te veel op echte vuurwapens. Gaswapens kunnen worden omgebouwd. Dus verbieden. Alsof gevaar begint bij uiterlijk en eindigt bij categorieën in een wetboek.
Een mes lijkt niet op een pistool en snijdt toch. Een honkbalknuppel is sportmateriaal tot hij dat niet meer is. Een auto is vervoer tot iemand hem als rammachine gebruikt. Bijna elk voorwerp kan een wapen worden in handen van iemand die kwaad wil. De vraag is daarom niet of iets „op een wapen lijkt", maar of de wet onderscheid maakt tussen agressie en verdediging.
Walter Block zou hier wijzen op het non-agressieprincipe: geweld is niet het probleem wanneer het een aanval stopt. Het probleem is de initiatie van geweld. Een verbod dat geen onderscheid maakt tussen de overvaller met een omgebouwd gaspistool en de vrouw met pepperspray in haar tas, behandelt zelfverdediging als verdachte categorie. Niet omdat zij schade veroorzaakt, maar omdat zij buiten het staatsmonopolie valt.
De zorg die niets oplost
De cijfers stijgen. Meer inbeslagnames van pepperspray, luchtdrukwapens, gas- en alarmpistolen. De politie weet tegelijk niet of er echt meer mensen mee rondlopen, of dat er simpelweg harder naar wordt gezocht. Wat wél duidelijk is: mensen kopen deze middelen omdat zij zich onveilig voelen. De winkelier bestelt pepperspray niet langer enkele keren per jaar, maar wekelijks.
En wat doet het apparaat? Het maakt zich zorgen. Het dringt in Europa aan op meer vergunningen of verboden. Het waarschuwt dat pakketjes toenemen. Het herhaalt dat burgers „niet altijd beseffen" dat zij strafbaar zijn. De onveiligheid blijft staan. De willekeur groeit. De burger die zichzelf niet meer toevertrouwt aan een monopolist die te laat komt, of helemaal niet, wordt zelf het object van toezicht.
Zo werkt de interventionistische spiraal: eerst faalt de beloofde bescherming, dan zoeken mensen eigen middelen, dan worden die middelen verdacht, en ten slotte rechtvaardigt die verdenking nog meer controle. Elke ronde heet veiligheid. Elke ronde maakt de vreedzame burger weerlozer.
De baas die jou weerloos wil
Er is een eerlijker manier om dit te zeggen. De staat wil niet per se dat jij veilig bent. De staat wil dat jij afhankelijk bent van zijn veiligheid. Een burger met pepperspray is een burger die even zonder loket kan. Een burger zonder middelen is een cliënt. En cliënten klagen netjes, in plaats van zichzelf te helpen.
Daarom is het verbod zo leerzaam. Niet omdat pepperspray heilig is, niet omdat ieder wapen onschuldig is, en niet omdat iedereen bewapend over straat hoort te lopen. Maar omdat de grens tussen Nederland en Duitsland in één zin onthult wat het verbod werkelijk regelt: niet het kwaad, maar de toestemming. Criminelen hebben de middelen al. Mensen voelen zich onveilig. De politie maakt zich zorgen. En precies die volgorde vertelt wie hier de baas speelt.
Headerfoto: handelsübliche pepperspray uit Duitsland, via Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0.