
De wachtlijst voor de permanente noodtoestand
Defensie heeft met succes duizenden burgers enthousiast gemaakt voor militaire inzet, maar blijkt vervolgens onvoldoende personeel te hebben om hen te keuren en op te leiden. De NOS presenteert dit voornamelijk als een logistiek gevolg van populariteit: het staatsapparaat faalt niet, het succes arriveert alleen sneller dan de bureaucratie kan verwerken.
Defensie heeft een succesvolle wervingscampagne gevoerd. Zo succesvol zelfs dat ongeveer 2700 aspirant-reservisten op een wachtlijst staan, sollicitanten soms zes tot negen maanden op een keuring moeten wachten en de organisatie onvoldoende personeel heeft om nieuwe mensen op te leiden. In de particuliere sector zou men dit vermoedelijk een capaciteitsprobleem noemen. Bij de overheid heet het succes.
De NOS neemt die formulering vrijwel geruisloos over. Niet de organisatie is mislukt, maar de campagne is geslaagd. Het leger kan de mensen die het zelf heeft opgeroepen niet verwerken, maar het nieuwswaardige feit is kennelijk vooral dat zoveel burgers bereid zijn zich te melden. De wachtlijst fungeert zo niet als bewijs van bestuurlijk onvermogen, maar als applausmeter voor de nieuwe militaire belangstelling.
Het artikel meldt dat Defensie bij de selectie, medische en psychologische keuringen en opleiding onvoldoende personeel beschikbaar heeft. Sommige kandidaten hebben hun vorige baan al opgezegd en zitten vervolgens maandenlang zonder inkomen. Binnen Defensie klagen werknemers ondertussen dat zij het al te druk hebben met hun bestaande taken om ook nog nieuwelingen op te leiden. De organisatie wil groeien, maar moet daarvoor mensen die al overbelast zijn vrijmaken om mensen op te leiden die voorlopig niet inzetbaar zijn.
De campagne wist precies hoeveel reservisten Nederland nodig had, maar kennelijk niet hoeveel stoelen er in de keuringsruimte stonden.
De reservist is daarbij niet noodzakelijk een naïeve figurant. Veel mensen melden zich aan vanuit een oprechte zorg over Rusland, China en de veiligheid van Europa. Onlangs sprak ik een reservist die vertelde dat juist die dreiging voor hem de doorslag gaf. Dat motief verdient het serieus genomen te worden. De interessante vraag is niet waarom iemand zijn gezin en samenleving wil beschermen, maar waarom bescherming vrijwel automatisch wordt vereenzelvigd met aansluiting bij een centraal militair apparaat.
De staat hoeft angst niet volledig te verzinnen om die angst politiek te benutten. Rusland voert oorlog, China bouwt militaire en economische macht op en internationale spanningen zijn reëel. Maar tussen het bestaan van een dreiging en de gekozen reactie ligt een hele wereld van politieke beslissingen. Welke dreiging wordt benadrukt, welke historische oorzaken worden weggelaten, welke vorm van verdediging wordt voorgesteld en welke offers als vanzelfsprekend gelden, zijn geen neutrale feiten. Het zijn keuzes.
Hier wordt Robert Higgs relevanter dan een eenvoudige propagandakritiek. Hij beschreef in Crisis and Leviathan hoe angst en crises de uitbreiding van staatsmacht mogelijk maken. Een werkelijke dreiging kan daarbij net zo goed als een overdreven dreiging worden gebruikt om instituties uit te breiden. Juist omdat de zorg van burgers oprecht is, krijgt de staat ruimte om meer budget, meer personeel en meer bevoegdheden te vragen. De angst hoeft niet kunstmatig te zijn. Zij hoeft alleen politiek te worden gekanaliseerd.
George Orwell biedt met 1984 een aanvullende, literaire lens. De reservist die Rusland en China als bedreiging ziet, hoeft daarin niet irrationeel te zijn. Staten voeren oorlog, grootmachten oefenen druk uit en geopolitieke conflicten bestaan werkelijk. Maar Orwell liet zien dat een vijand meer kan zijn dan een militair gevaar. Hij kan ook een bestuurlijke functie vervullen. Een permanente tegenstander maakt permanente paraatheid logisch, en permanente paraatheid maakt uitbreiding van het staatsapparaat vanzelfsprekend.
De kracht van het vijandbeeld ligt niet alleen in wat het beweert, maar in wat het verhindert. Zodra de dreiging voldoende ernstig wordt voorgesteld, lijken vragen over diplomatie, escalatie, buitenlandse interventies, handelsrelaties en eerdere beleidskeuzes bijna ongepast. Wie de gekozen reactie betwijfelt, loopt het risico te worden behandeld alsof hij de dreiging zelf ontkent.
De vijand hoeft niet verzonnen te zijn om politiek bijzonder bruikbaar te zijn.
Daarmee ontstaat een zichzelf versterkende cirkel. De overheid benadrukt de vijand. Burgers ervaren urgentie. Meer burgers melden zich aan. Hun aanmeldingen bevestigen de urgentie. Defensie vraagt vervolgens om meer middelen en capaciteit. De staat hoeft de vijand niet te verzinnen; hij hoeft hem alleen groot genoeg te maken om zichzelf onmisbaar te laten lijken.
Dat mechanisme is hier bijna komisch zuiver zichtbaar. Defensie heeft onvoldoende capaciteit. Daarom wordt de wervingsorganisatie uitgebreid met meer dan tweehonderd banen. Externe instructeurs worden ingehuurd, opleidingen worden verkort en schaarse functies krijgen voorrang. Het probleem dat door bureaucratische schaalvergroting zichtbaar wordt, wordt opgelost met nieuwe bureaucratische schaalvergroting.
De gebruikelijke marktcorrectie ontbreekt. Een onderneming die duizenden sollicitanten werft zonder hen te kunnen beoordelen, aannemen of opleiden, zou haar campagne tijdelijk beperken, haar proces vereenvoudigen of haar beschikbare capaciteit eerst vergroten. Defensie kan de vraag echter blijven stimuleren terwijl de verwerking achterblijft. De kosten van de wachttijd liggen grotendeels bij de sollicitant, de belastingbetaler en het bestaande personeel.
De overheid betaalt daardoor niet de volledige prijs van haar organisatorische fouten. Een kandidaat die zijn baan heeft opgezegd en maanden zonder inkomen zit, draagt zelf het risico. Een militair die door de extra opleidingsdruk vertrekt, wordt een nieuw argument voor verdere werving. En wanneer de wachtrij langer wordt, bewijst dat opnieuw hoe groot de maatschappelijke belangstelling voor Defensie is.
Zo ontstaat een gesloten systeem waarin iedere uitkomst de gekozen koers bevestigt. Veel aanmeldingen tonen aan dat de campagne werkt. Lange wachttijden tonen aan dat meer capaciteit nodig is. Vertrekkend personeel toont aan dat meer mensen geworven moeten worden. Hogere uitgaven tonen aan dat de dreiging serieus wordt genomen. Er bestaat nauwelijks nog een mogelijke uitkomst die als reden kan dienen om het beleid fundamenteel te heroverwegen.
Étienne de La Boétie geeft die vrijwillige kant van de mobilisatie nog meer diepte. Vrijwillige gehoorzaamheid ontstaat niet alleen door goedgelovigheid, maar vaak juist door de overtuiging dat men het juiste doet. De reservist ziet zichzelf niet als dienaar van de staat, maar als verdediger van zijn land, familie en manier van leven. De staat plaatst zich vervolgens tussen dat morele motief en de uitvoering ervan. Zij neemt een menselijke behoefte aan bescherming en maakt zichzelf tot de vanzelfsprekende organisator.
De reservist meldt zich niet noodzakelijk uit liefde voor de staat, maar de staat is wel de eerste die zijn liefde voor zijn land komt innen.
"Besluit niet langer te dienen, en u bent vrij." — Étienne de La Boétie, Discours de la servitude volontaire (circa 1552)
La Boéties punt was niet dat alle gehoorzaamheid met geweld wordt afgedwongen of dat wie gehoorzaamt geen oprechte redenen kan hebben. Macht wordt juist stabiel wanneer bescherming, loyaliteit en plicht samenvallen met de instituties van de staat. De moderne staat hoeft de dienstplicht niet onmiddellijk opnieuw in te voeren wanneer hij eerst een cultuur kan creëren waarin aanmelden als reservist geldt als een bewonderenswaardige bijdrage aan het algemeen belang.
Dat maakt de reservist tot een ideaal staatsburger. Hij meldt zich vrijwillig bij een organisatie waarin hij vervolgens hiërarchisch ondergeschikt wordt. Hij toont zelfstandigheid door zich beschikbaar te stellen voor doelen die elders worden vastgesteld. Hij behoudt zijn civiele bestaan, maar reserveert alvast een deel van zijn tijd, arbeid en lichamelijke inzet voor toekomstige besluiten van politici en militaire bestuurders.
De werving hoeft daarbij niet te bestaan uit leugens en de boodschap hoeft niet grof te zijn. Niemand hoeft te zeggen dat oorlog aantrekkelijk is. Talent ontwikkelen, kameraadschap ervaren, bijdragen aan veiligheid en naast een gewone loopbaan iets betekenisvols doen, kunnen allemaal werkelijke motieven zijn. Juist daardoor blijft de geopolitieke achtergrond gemakkelijk abstract. Het gaat niet over de vraag welke conflicten Nederland moet aangaan, welke bondgenootschappen risico's veroorzaken of wie over inzet beslist. Het gaat over persoonlijke groei met camouflagebroek.
Ook in het NOS-artikel blijft die bredere vraag vrijwel buiten beeld. De aandacht gaat uit naar het absorptievermogen, de keuringsduur, de opleiding en de organisatorische maatregelen. Defensie wil groeien, dus moet worden uitgelegd waarom die groei administratief vertraagt. Waarom die groei noodzakelijk is, wie de omvang bepaalt en welke strategie ermee wordt gediend, wordt niet onderzocht. De militaire expansie verschijnt als een natuurverschijnsel waarvoor voldoende loketten moeten worden geopend.
Daarmee wordt oorzaak en gevolg subtiel omgedraaid. Jarenlang kon de staat personeel, kennis en materieel laten verdwijnen. Nu wordt geopolitieke dreiging gebruikt om in hoog tempo een groter apparaat op te bouwen. Wanneer blijkt dat het resterende apparaat die groei niet kan verwerken, ligt de oplossing opnieuw bij extra middelen, externe inhuur en organisatorische uitbreiding.
Een vrije markt zou het tekort niet door campagnes en morele aansporingen proberen te overwinnen, maar door eerlijke prijsinformatie. Wanneer een organisatie onvoldoende personeel kan aantrekken of behouden, moeten lonen, voorwaarden, risicovergoedingen en werkwijzen veranderen. Wanneer opleiders schaars zijn, stijgt hun vergoeding en ontstaan nieuwe aanbieders. Wanneer kandidaten maanden moeten wachten, verliest de organisatie hen aan betere alternatieven.
Juist dat verlies dwingt een marktpartij tot verbetering. Een staatsorganisatie hoeft minder bang te zijn voor die discipline. Zij kan kandidaten laten wachten en ondertussen om meer budget vragen. Zij kan bestaande werknemers overbelasten en vervolgens hun vertrek opvoeren als bewijs van personeelsschaarste. Zij kan een campagne voeren voordat de capaciteit gereed is en de ontstane wachtrij presenteren als een teken van enthousiasme.
Vrijwillige defensie zou bovendien beginnen bij een duidelijke scheiding tussen zelfverdediging en buitenlandse interventie. Burgers, bedrijven en lokale gemeenschappen kunnen zelf investeren in bescherming, noodvoorzieningen, cyberveiligheid, infrastructuur en weerbaarheid. Zij kunnen diensten afnemen van gespecialiseerde aanbieders en concrete risico's verzekeren. Daarbij ontstaat een directe relatie tussen degene die bescherming wenst, degene die haar levert en degene die de kosten draagt.
In het huidige model zijn die rollen van elkaar losgemaakt. Politici bepalen de internationale verplichtingen. Defensie bepaalt de personeelsbehoefte. Campagnes beïnvloeden de bereidheid van burgers. Belastingbetalers financieren de uitbreiding. Reservisten dragen uiteindelijk het lichamelijke risico. Iedereen heet gezamenlijk verantwoordelijk, maar slechts enkelen mogen de beslissingen nemen.
De wachtlijst is daarom meer dan een organisatorisch ongemak. Zij laat zien hoe de staat burgers eerst mobiliseert en pas daarna onderzoekt of hij iets met hen kan. Enthousiasme wordt centraal opgewekt, maar verantwoordelijkheid voor de gevolgen wordt verspreid over kandidaten, instructeurs, vakbonden en belastingbetalers.
De reservist die maanden op zijn keuring wacht, krijgt zo alvast zijn eerste les in staatsdienst: het apparaat verlangt onmiddellijke beschikbaarheid van de burger, maar beschouwt wederkerigheid zelf als een administratieve ambitie.
Misschien is dat ook de meest realistische militaire voorbereiding. Nog voordat de aspirant-reservist een uniform ontvangt, leert hij geduldig wachten op bevelen van een organisatie die zelf nog niet weet wanneer zij klaar is.
Headerfoto: Phil Nijhuis / Defensie Nederland, via Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0.