De geldkraan en het wonder van de vertraagde rechtvaardigheid

De geldkraan en het wonder van de vertraagde rechtvaardigheid

21 juni 2026
De centrale bank onderzoekt of centrale banken ongelijkheid veroorzaken en ontdekt met behulp van haar eigen model dat de schade tijdelijk, beperkt en uiteindelijk zelfs heilzaam is. Vermogenden krijgen de vermogenswinst vandaag, lagere inkomens mogelijk morgen een baan, waarna iedereen geacht wordt tevreden naar huis te gaan.

DNB heeft onderzocht of het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank de ongelijkheid vergroot. Dat is een sympathiek gebaar, een beetje alsof een casino laat onderzoeken of roulette invloed heeft op gokverliezen.

De uitkomst begint ongemakkelijk eerlijk. Wanneer de ECB de rente verlaagt of obligaties opkoopt, stijgen aandelen- en huizenprijzen. Wie deze bezittingen al heeft, wordt rijker. Wie ze niet heeft, kan bewonderen hoe betaalbare woningen veranderen in historische verzamelobjecten. Volgens DNB neemt de ongelijkheid daardoor aanvankelijk inderdaad toe.

Gelukkig duurt die eerlijkheid niet lang. Het model voorspelt dat de lage rente later investeringen, banen en lonen stimuleert. Vooral lagere inkomens zouden daarvan profiteren, waardoor de eerdere ongelijkheid weer afneemt. Eerst stijgen dus de bezittingen van mensen die al bezittingen hebben. Daarna krijgt iemand zonder aandelen misschien een baan. Ten slotte stelt de centrale bank vast dat haar verdelingseffecten beperkt en tijdelijk zijn.

De vermogenswinst is onmiddellijk en eigendom van de ontvanger; de compensatie verschijnt later, indirect en afhankelijk van een model.

DNB behandelt zo verschillende ervaringen alsof ze op één maatschappelijke balans kunnen worden weggestreept. De huizenbezitter ontvangt een directe vermogenswinst, banken en overheden lenen goedkoper. De werknemer zonder vermogen krijgt mogelijk later een hoger loon, mits zijn sector groeit en de hogere kosten van wonen en levensonderhoud die vooruitgang niet alweer hebben opgegeten. In de statistiek worden die ervaringen samengevoegd. In het echte leven gaat het om verschillende mensen op verschillende momenten.

Ludwig von Mises wees erop dat geld nooit neutraal de economie binnenkomt. Het bereikt eerst banken, overheden, financiële instellingen en kredietwaardige ondernemingen. Zij kunnen handelen voordat de gevolgen volledig in prijzen zichtbaar zijn. Wie verder van de geldkraan staat, ontvangt het nieuwe geld pas nadat aandelen en vastgoed duurder zijn geworden. Dat is geen neveneffect dat door een hoger gemiddeld loon kan worden gladgestreken, maar de manier waarop monetair beleid werkt.

"There is no means of avoiding the final collapse of a boom brought about by credit expansion." - Ludwig von Mises, Human Action (1949)

De lage rente verandert bovendien niet alleen de vermogensverdeling, maar ook de economische structuur. Projecten die bij een marktrente onrendabel zijn, lijken aantrekkelijk. Schulden worden goedkoper en beleggers nemen meer risico om rendement te vinden. Stijgende vermogensprijzen zijn daarmee signalen van een geldstelsel waarin de prijs van tijd en risico administratief wordt beïnvloed.

Philipp Bagus zou daarnaast vragen waarom we de conclusie los moeten zien van de instelling die haar publiceert. DNB maakt deel uit van het Eurosysteem en beoordeelt beleid dat zij zelf helpt uitvoeren. Dat maakt het onderzoek niet automatisch onjuist, maar enige institutionele bescheidenheid zou passend zijn. In plaats daarvan krijgt iedere erkenning een nooduitgang: ja, vermogenden profiteren eerst en het model mist mechanismen, maar uiteindelijk brengt monetair beleid stabiliteit.

Een van die ontbrekende mechanismen is de woningmarkt, die slechts gedeeltelijk wordt meegenomen. Dat is geen detail. Voor veel huishoudens is wonen de grootste uitgave en een koopwoning het belangrijkste vermogen. Lage rente vergroot de leencapaciteit terwijl bouwbeperkingen het aanbod afremmen. Bestaande eigenaren worden rijker; starters mogen hetzelfde huis kopen met een grotere hypotheek en noemen dat vooruitgang.

DNB verwijst ongelijkheid vervolgens naar het begrotingsbeleid, omdat overheden gerichter kunnen herverdelen. Eerst veroorzaakt monetair beleid ongelijke vermogenswinsten, daarna mag fiscaal beleid die met belastingen, subsidies en toeslagen corrigeren. De linkerhand verstoort, de rechterhand herverdeelt en het hoofd noemt het stabiliteit.

In een vrije markt zou rente ontstaan uit werkelijke besparingen, tijdsvoorkeur en de vraag naar krediet, niet uit besluiten van centrale bankiers. Spaarders zouden niet steeds meer risico hoeven nemen om aan monetaire erosie te ontsnappen en onverantwoordelijke banken zouden de gevolgen niet automatisch kunnen doorschuiven naar muntgebruikers en belastingbetalers.

DNB heeft gelijk dat monetair beleid niet iedereen hetzelfde raakt. Alleen presenteert zij dat beleid alsof het een natuurverschijnsel is. Maar renteverlagingen en aankoopprogramma's vallen niet uit de lucht; het zijn bewuste ingrepen door instellingen met exclusieve bevoegdheden. De belangrijkste vraag is daarom niet alleen hoeveel ongelijkheid het model meet, maar waarom een kleine groep bestuurders de prijs van krediet, de waarde van spaargeld en de richting van kapitaalstromen mag bepalen.

Buiten het model staat ondertussen een starter voor een woning die opnieuw duurder is geworden. Hij heeft geen aandelenportefeuille, maar mogelijk later wel een hoger loon. Rechtvaardigheid werkt tenslotte met enige vertraging, terwijl vermogensprijzen realtime worden bijgewerkt.